AR banner
Search Tips Advanced Search
Back to Top
List of Aviator Losses  •  
Table of Contents  •  
ArchiveDatabase  •  

1945-05-02 The Loss of Sgt Bootsma and Sgt Heijblom

Crash site: no crash, fatal accident on Achmer airfield, B.110, Germany

Cause of death: Anti-personnel landmine explosion

320 Sqn camp on Achmer, early 1945 Source: @St.M.Vl.P. 1939-50, from Vltgmkr (E) 1kl M. Breeman


Name

1. Bootsma, Johannes (Joop)

J. Bootsma Source: SLH Crooswijk 050416 Bootsma J

Rank

Sgt Wnr MLD

Stb.Nr. 90120/Z

Decorations

Vliegerkruis

Born

7/2/1919

Place

's-Gravenhage, NL

Squadron

RAF 320 (Dutch) Sqn Bomber Command

Ops/hr

50

Aircraft

No crash

Base

RAF Achmer, Germany

Mission

No mission

Status

KIA, killed by a landmine explosion. Death was instantaneous.

age

26

Killed

2/5/1945

Place

RAF Achmer, Germany, NW of Osnabrück, on the South path along the Ems-Weser Canal

Buried

Initially buried 5/5/1945 at Ulvenhout Protestant Cemetery. Bootsma's parents lived in Utrecht that was still occupied by the Germans on 5/5/1945.

Reburied Rotterdam Gemeentelijke Begraafplaats Crooswijk, grave P/2/106. He is the only Dutch RAF aviator in the Dutch War graves section at Crooswijk.

Known to

OGS

yes

CWGC

no

Other crew

Also killed in this explosion: Sgt Vltg Schutter A.M. Heijblom

Remarks

Flew 50 ops with the Heijblom/Waterman/Schravesande crew.

Sgt Bootsma received the Flying Cross posthumously, ten days after his death, as his total ops reached 50, yielding the standard citation.

Vliegerkruis, 12/5/1945 (posthuum)

Gedurende geruimen tijd bij het 320e Squadron R.D.N.A.S. van Onzen Marine Luchtvaartdienst in het Vereenigd Koninkrijk, in oorlogsvluchten tegen den vijand, blijk gegeven van moed, bekwaamheid, volharding en plichtsbetrachting.

After the War, the Flying Cross, and his travel bag, were send to his mother, Mrs. P.J.J. Bootsma-Van Riet, C. van Maarsdijkstraat 9, Zuilen, near Utrecht. The official statement about his death:

“Op 2 Mei 1945 gedood tengevolge van het ontploffen van door den vijand achtergelaten springstoffen”

“Killed May 2nd, 1945, by explosives left behind by the enemy”

Source: NIMH


Memorial

None known

GB arrival

Data

Confusion

There is confusion in literature about the cause of his death


Name

2. Heijblom, Adrianus Machiel (Arie, 'Janus')

A.M. Heijblom Source: Rob Ouwerling Ulvenhout 050604 Heyblom AM

Rank

Sgt Vltg Schutter

RAF VR 90606/Z

Decorations

Kruis van Verdienste

Born

14/10/1914

Place

Ginniken-en-Bavel, Brabant, NL

Squadron

RAF 320 (Dutch) Sqn Bomber Command

Ops/hr

45

Aircraft

No crash

Base

RAF Achmer, Germany

Mission

No mission

Status

KIA, killed by a landmine explosion. Death was instantaneous.

age

30

Killed

2/5/1945

Place

RAF Achmer, Germany, NW of Osnabrück, on the South path along the Ems-Weser Canal

Buried

Buried 5/5/1945 at Ulvenhout Roman Catholic Cemetery, no grave number

Known to

OGS

yes

CWGC

no

Other crew

Also killed in this explosion: Sgt Wnr MLD J. Bootsma

Remarks

Flew 45 ops with the Bootsma/Waterman/Schravesande crew.

Memorial

1. Memorial stone on Ulvenhout R.C. Cemetery

2. The SGE agreed in 2005 that his name would be added to the Vijfluik, Loenen, but this has not yet (2009) been done

GB arrival

Engelandvaarder. Departed alone, 8/8/1942 or 29/9/1942. Arrived in Glasgow by ship on 6/6/1943 after a journey via a land route from Belgium to France, Spain and Gibraltar. Was imprisoned for 7 months in Spain. Source: NA 2.09.06-13036

Data

Confusion

There is confusion in literature about the cause of his death

Adrianus Heijblom

He flew 45 ops with the Bootsma-Waterman-Schravesande crew, just a few short of the magic number that would have brought him the Flying Cross. He was killed on Achmer airbase NW of Osnabrück, Germany, 2/5/1945, on the day of his arrival there. On 5/5/1945 his remains, and the body of Joop Bootsma, were flown by their pilot Dick Waterman from Achmer to Gilze-Rijen. For Waterman, nickname H2Oman, this was the first day back in Holland since the summer of 1939, when he went to Canada.

Source: Dick Waterman, 25/5/2005

Heijblom was buried that same day, R.K. Begraafplaats Ulvenhout, next to the Laurentiuskerk. He was an Engelandvaarder, but his name is not on the oak panel at Ereveld Loenen. The Stichting Genootschap Engelandvaarders (SGE) has been asked 19/5/2005 to correct this. The SGE responded favourably.

Source: Bram Grisnigt, 21/5/2005

On 20/12/2006, 24/07/2007, 14/03/2008 and 22/05/2009 his name was still not found on the Vijfluik.

Het bidprentje en het overlijdensbericht in de krant melden 3/5/1945.

Source: Rob Ouwerling, 17/5/2005.

Zo staat het ook op zijn grafsteen. Die datum wijkt af van het gestelde in andere bronnen. De OGS meldt als datum van het overlijden 2/5/1945. 2 mei 1945 staat ook in de erelijst in '320 Sqn Memorial' van Kloos, en in de crashdatasheets van De Haan. Op de grafsteen van J. Bootsma staat 2 mei 1945.

De dag van overlijden is heel zeker, 2 Mei 1945. Op 5 Mei vroeg, vloog ik de overschotten naar Gilze Rijen voor de begrafenis, die dag. Op 6 Mei vloog ik terug naar Achmer. Dit zocht ik op in mijn logboek. Beiden, Heijblom en Bootsma, waren op slag dood.

Source: Dick Waterman, 19/5/2005

De akte van overlijden zegt ook 2 mei:

Heden, den twaalfden September negentienhonderd zesenveertig, is door mij, Ambtenaar van den Burgerlijken Stand der gemeente Nieuw Ginniken ontvangen en ingeschreven een uittreksel uit het bevatten (?) van het gewoon register van den Burgerlijken Stand gehouden aan het Departement van Binnenlandsche Zaken in London jaar 1945 luidende als "Op heden den zesentwintigsten Augustus van het jaar negentien honderd zes en veertig is aan mij, ondergeteekende, Ele(onleesbaar), Reinke Jan, in de hoedanigheid van buitengewoon Ambtenaar van den Burgerlijken Stand te 's Gravenhage, overgelegd een verklaring van overlijden, opgemaakt op zevenden Mei negentienhonderd vijf en veertig door Witholt, Arend Winter, hoofd officier vlieger der tweede klasse, commandant van het drie honderd twintig Squadron der Nederlandsche Marine Luchtstrijdkrachten, verblijf houdende op het vliegveld B, nummer honderd tien in Duitschland, met welke verklaring is gebleken, dat op den tweeden Mei van het jaar negentienhonderd vijf en veertig, om twintig uur en dertig minuten in de nabijheid van het vliegveld B nummer honderd tien, nabij Osnabrück, in Duitschland is overleden: Heijblom, Adrianus Machiel, Born den veertienden October negentienhonderd veertien te Ginniken en Bavel, van beroep sergeant vliegtuigschutter bij het drie honderd twintigste Squadron der Nederlandsche Marine-luchtstrijdkrachten, laatstelijk in Nederland woonachtig te Nieuw Ginniken, Wijk C nummer twee honderd, ongehuwde zoon van: Heijblom, Machiel, overleden, en van: van Opstal, Maria Adriana, zonder beroep, wonende te Nieuw-Ginniken.

Op grond waarvan ik ambthalve deze akte heb opgemaakt, derwelke door mij is onderteekend." R.J. Elenaart(? - onleesbaar).

Source: Rob Ouwerling

We have been unable to explain this discrepancy between 3/5/1945 as date of death used by the family, and 2/5/1945 as reported officially. We follow the key eyewitness, Mr. Dick Waterman, and the 320 Sqn CO declaration, the source for the death certificate, when assuming 2/5/1945 to be the correct date.

OGS spells his name as Heyblom. That's a hangover from the English Period, in which the British habitually used the familiar 'y' rather than the unfamiliar 'ij'. Even the Dutch officials in London displayed confusion, when they spelled his name as Heybloem.

Source: Meldingsformulier "Heybloem", Archief Min v Oorlog, 2.13.7, Inv. Nr. 139, via SLH.

Uit Dr A. Dessing, 'Tulpen voor Wilhelmina - De geschiedenis van de Engelandvaarders', Amsterdam, 2004, pag. 35:

Het avontuurlijke aspect van een reis naar Engeland bestond in ieder geval in de perceptie van de achterblijvers, bijvoorbeeld familie of vrienden van Engelandvaarders, die niet goed begrepen waarom hun broer, zoon of vriend was weggegaan. Dit blijkt duidelijk uit de getuigenis van een broer van Engelandvaarder Adrianus ('Janus') Heijblom. 'Toen (Janus) pas weg was,' vertelde zijn broer in een interview,

begreep ik eigenlijk niet goed waarom hij zoiets gedaan had. Janus was helemaal niet zo avontuurlijk aangelegd en als een van de elf kinderen bij ons thuis was hij altijd een van de rustigste geweest. Wel was het een flinke kerel met veel ondernemingslust, een die echt alles aanpakte. Maar hij had hier een goede betrekking (...) en kon het zich zelfs permitteren om op een Norton motorfiets te rijden.

Notenapparaat: Interview met C. Heijblom in: J. Jaspers, Tussen witte wolken en Anneville, 1985, p. 111

Verslag debriefing door Oreste Pinto dd. 22/6/1943, via Rob Ouwerling:

Adrianus, Michiel Heijblom, gearriveerd in Engeland te 6 juni 1943 en alhier te Londen gearriveerd op 21 juni 1943, komende van R.V.P.S.

Vader: Michiel, eigenaar van een boerderij, overleden in november 1937.

Moeder: Maria van Opstal. Koloniedreef c.200 te Ulvenhout.

Heeft 5 broers en 5 zusters, allen in Holland.

Is ongehuwd, RK, monteur

Talenkennis: Nederlands.

Politieke richting: geene. Was na de invasie (lees Duitse inval, rjfo) lid van de 'Unie’.

Vader stemde R.K.

Lagere School te Ulvenhout, daarna 3 jaar ambachtschool, vrijgesteld van dienstplicht vanwege broederdienst. Kwam in 1935 bij van Gend & Loos in Breda als monteur tot eind 1937.

Kwam toen als monteur bij de gemeente Ginneken, waar hij werkte tot 1 februari 1942.

De gemeente werd toen geannexeerd door Breda en hij ging over als monteur naar de gemeente Breda. Eerst in september 1942 slaagde hij er na lang aandringen van zijn moeder toestemming te krijgen tot zijn vertrek naar Engeland. Voornamelijk omdat zij toen pas begon in te zien dat hij vroeger of later naar Duitsland gestuurd zou worden.

Hij had sinds de capitulatie vergeefs naar contacten met een organisatie gezocht.

Op 29 september 1942 ging hij alleen te voet naar Meersel Dreef. Hij nam de trein (dat was een ‘tram,’ rjfo) naar Antwerpen. Hij had 200 gulden en 800 Belgische francs.

Hij sliep in Antwerpen bij het Leger des Heils en nam de volgende dag een arbeiderstrein naar Brussel; daar verder naar Lille met de trein. Bij het passeren van de grens bleef hij in de trein toen allen moesten uitstappen voor contrôle en verschool zich achter de openstaande deur van een WC. Van Lille ging hij met de trein naar Parijs en verder per spoor naar Lorient, omdat hij daar een adres had van iemand uit Breda die daar werkte. Hij kon het adres niet vinden en ging door naar Bordeaux en vervolgens naar Biarritz. Hij sliep in de bergen doch vond het onmogelijk daar door de bergen te komen en besloot te trachten naar Zwitserland te komen. Vlak voor de Zwitserse grens werd hij gepakt en naar Châteauneuf-les-Bains gezonden.

Zie voor de rest het verslag van Van Loon.

Is politiek betrouwbaar.O. Pinto 22 juni 1943

Uit: rapport Pinto dd. 23/6/1943, over J.E. van Loon, via Rob Ouwerling.

Jacobus (Eugène) van Loon.

Born te Bergen op Zoom 8 april 1919; Beton-Timmerman.

Adres; Michiel de Ruyterstraat 19.

Vertrokken uit Holland 8 augustus 1942. Arriveerde in Engeland/Glasgow op 6 juni 1943. En meldde zich alhier te Londen op 21 juni 1943 komende v/d RVPS (zie AMH).

OP 14-10-42 vluchtten hij (van Loon), Leus, Heijblom en een Belg genaamd Stercke naar Perpignan waar zij zich bij de heer Kolkman meldden. Zij kregen kaarten en een kompas van hem en begonnen aan de reis naar Spanje. Zij kwamen te voet door de Pyreneeën nadat de Belg Stercke in Seret was opgepakt. Hij had hen verlaten om in dat dorp levensmiddelen te gaan kopen. Na 7 dagen lopen kwamen zij uitgeput in Barcelona aan waar zij zich bij de Consul meldden (21-10-1942).

Zij kregen treinbiljetten voor Madrid doch werden op het station van Barcelona gearresteerd en vervolgens aldaar 3 dagen gevangengezet. Door bemiddeling van de heer Kriens kwamen zij vrij en reisden naar Madrid. Op 4-11-42 namen zij aldaar de trein naar Badajoz doch werden in de trein gearresteerd en naar Miranda de Ebro getransporteerd.

Op 25-5-43 kwamen zij vrij, en reisden via Madrid naar Gibraltar vanwaar zij in konvooi naar Glasgow gingen en aankwamen op 6 juni 1943.

Mr. Van Loon became attached to the Dutch Intelligence Office in the UK.

Source: R.A. Grisnigt, email 22/5/2005

Jac van Loon, left, interviewed at home in Bergen op Zoom by Rob Ouwerling, September 2005. Source: Rob Ouwerling


The team in training at No. 13 Operational Training Unit on RAF Finmere in Buckinghamshire: Joop Bootsma, Tom Schravesande, Dick Waterman and Arie Heijblom. The crew would remain together until 2/5/1945. Source: Dick Waterman, familie Heijblom, Rob Ouwerling

Foto is gemaakt op Zaventem, kerstmis 1944, buiten de eetzaal van het Ursulinen Convent, met de Leica IIIa van Jan Kloos. Om zijn nek hangt de lege paraattas van de kamera. Dit volgt het traditionele Xmas dinner waar de officieren de manschappen aan tafel serveren. VlNr.: Gaston Frans Mertens (B, KIA Manderfeld, B, 13/1/1945), Jean Vermeiren (B), Raoul Schreiden (B), Jean De Gobert (B), Joop Bootsma (KIA Achmer, D, 2/5/1945), A.J. (Bert) de Haan, Jan Piet Kloos, Arie M. Heijblom (KIA Achmer, D, 2/5/1945), Robins (GB). Zittend: J.H. Hoendervoogt. Source: Jan Kloos


The Achmer bathhouse, early 1945 Source: @St.M.Vl.P. 1939-50, from Vltgmkr (E) 1kl M. Breeman

2. Cause of losses

Achmer airfield was a German fighter base until April 1945. It was also used for experiments, which included the first operational flights with the Messerschmitt Me 262 jet fighter. The airfield was bombed several times, and when the Germans moved east, they destroyed ground facilities. The Allies took over early April 1945, and restored the airfield to serviceability. There was an ammunition storage approx. 2 km south of the base, hidden in a wood, and another one less than a kilometer North of the base, in the Larberger Egge wood. Source: www.relikte.com


Achmer airfield today, a grass field for gliders. Remains of former airbase structures are still abundant in the area. Achmer 050521 airfield 3

According to Bosch, Bootsma and Heijblom, both of 320 Squadron, were killed by a boobytrap on the ground. However, Res Sgt Vl J.W. de Bruin Kops remembers it differently. In a munitions storage on Achmer airbase, the men, on their own initiative, were trying to obtain the material of a parachute attached to an aerial mine. A mine exploded; several other men were killed too. The silk-like parachute material was desirable, it was a gift to the ladies.

Source J.W. de Bruin Kops, by phone, 3/12/2004

The Instituut voor Maritieme Historie in Den Haag has been asked in writing dated 15/5/2005 whether it holds a report on the deaths of Bootsma and Heijblom. No answer.

It has been stated in 'De operaties van 320 squadron' by Nico Geldhof, 2006, page 467, that the men were ordered to participate in the disposal of German War munitions. A source for this statement is not given. This author wishes to point to the danger of confusing fact with opinion. The Allies happily left disposal of German munitions to German POW's. Several of these were killed in the process, also on or near Archmer base, in accidents with German mines that seem to have become unstable.

De vraag is ook of de mannen onhandig bezig waren, of dat de Duitsers boobytraps hadden achtergelaten. Ik geef de volgende overwegingen:

A. Toen de Duitsers vanuit Achmer naar het oosten trokken, hebben ze het vliegveld grondig vernield, opdat de geallieerden er geen gemakkelijk gebruik van zouden kunnen maken.

Dan is het gek als één of beide munitie-opslagplaatsen van Achmer intakt waren gelaten, kompleet met inhoud - tenminste luchtmijnen. Niets is eenvoudiger dan het opblazen van een ammodump-met-inhoud, althans in oorlogstijd.

Acht dagen later, op 10/5/1945, gebeurde zo'n ongeval dus nog eens. De Senior Medical Officer S/Ldr John Norman Williams was niet uit op zijde; hij wilde de gewonden helpen. Ik beschouw dit als een aanwijzing dat de boel geboobytrapt was. Er waren twee ammostores bij Achmer, een in het bos 2 km zuid, en een in het bos ca. 1 km noord van de basis. Die waren vrij groot. Het is dan denkbaar dat een exploderende luchtmijn slechts een deel van de opslagplaats heeft verwoest. Zo'n store was opgebouwd uit blast rooms, die moesten voorkomen dat bij een explosie de hele opslag eraan ging. Zo'n explosie kon dus elders in de store nog eens gebeuren.

'Betr. het Achmer incident waar ik niet bij was want al terug naar UK voor andere bezigheden, ik heb altijd gehoord van de jongens dat Bootsma en Heijblom die dag bij de rivier (the Ems-Weser canal, now called the Mittellandkanal) aan het 'klooien' waren omdat ze een vrije dag hadden. Bootsma en Heyblom heb ik vrij goed gekend. Er waren duitsers bezig met het laden van explosives op een vrachtwagen en een van die dingen lieten ze vallen en ontplofte terwijl de jongens in de buurt stonden. De RAF arts stond er ook bij en werd zwaar gewond terwijl hij toch de mensen wou helpen. Hij werd naar Melsbroek gevlogen in haast maar overleed toen.'

Source: Jan Kloos, email dd 20/4/2005

Merk op dat er twee explosie-incidenten op Achmer zijn geweest:

- Bootsma & Heijblom & nog meer lui, en

- tien dagen later het incident waarbij onder anderen de medical officer omkwam.

Zoals je het beschrijft is in dat tweede geval geen sprake van een boobytrap.

Maar het is wel gek dat een mijn, of wat voor explosieve munitie dan ook, ploft als het iemand uit de hand valt. Kan natuurlijk wel, maar al die dingen hadden minstens een veiligheidpen, die er eerst welbewust uit moest worden gehaald. Anders zou je die dingen nooit kunnen vervoeren. Duitsers die er een eind aan hebben gemaakt, en daarbij een paar geallieerden hebben meegenomen?

Eyewitness Dick Waterman reported as follows:

'Deze dag ligt nog altijd vers in mijn geheugen. Mijn waarnemer Bootsma en boordschutter Heijblom waren een uur of wat eerder dan ik in Achmer aan gekomen (we moesten van uit Brussel per lucht 'hitch hiken' naar Achmer) en toen ik ze weer zag gingen ze een wandeling, langs het aangrenzende kanaal maken en vroegen ze of ik weer bij ze kwam, nadat ik even iets had gegeten. Onderweg naar hen toe, zag ik ze wel, maar even later ook een grote ontploffing van waarschijnlijk een landmijn.

In ieder geval was dat het tragische einde van m'n halve bemanning.'

Source: J.D. Waterman, letter dated 14/10/1997 to J. Heijblom, Ulvenhout

Antwoorden Van Dick Waterman 21/5/2005:

1. Het ongeval vond plaats in de buitenlucht, langs het kanaal, dus niet in een van beide munitiebunkers van Achmer?

DW: Neen.

2. Vanaf ongeveer welke afstand heeft u het ongeval gezien?

DW: Ong. 100 m.

3. Liepen Bootsma en Heijblom, of waren zij bezig met iets dat op de grond lag?

DW: Denk dat ze iets opraapten.

4. Zijn er ook anderen tijdens de ontploffing gedood of gewond geraakt?

DW: Neen.

5. Acht dagen later, op 10/5/1945, was er daar weer zo'n ontploffing, waarbij de RAF Senior Medical Officer om het leven is gekomen. Weet u iets over de toedracht van dat tweede ongeval?

DW: Neen.

6. Er is gezegd dat de Geallieerden enkele Duitse krijgsgevangenen aan het werk hadden gezet met het afvoeren van Duitse munitie uit Achmer. Er is gezegd dat daarbij een mijn uit handen is gevallen, en tot ontploffing is gekomen. Acht u dat mogelijk? Kan dit ook de toedracht zijn geweest van het verlies van Bootsma en Heijblom?

DW: Mij niets van bekend.

7. De explosie die u heeft gezien, kunt u die beschrijven als een relatief kleine, zoals bij een anti-personeel landmijn, of een grote, zoals bij een anti-tank landmijn of een luchtmijn?

DW: Middelmatige mijn.

8. Heeft u langs het kanaal door de Duitsers achtergelaten spullen gezien? Zoals luchtmijnen met parachutes?

DW: Neen.

9. Bent u na het ongeval ondervraagd, is er een rapport over het ongeval opgemaakt?

DW: Alleen door Commandant A.W. Witholt van 320 Sqn.

Toen wij op Achmer vliegveld aankwamen lag de hele boel in puin. Het veld
was zwaar gebombardeerd door waarschijnlijk RAF bommercommand. Terwijl wij daar vlogen was er maar een runway open voor gebruik, met zware metalen platen
over de bom kraters. Later ging geloof ik ook de NO-ZW baan open. De meeste bruggen over het kanaal lagen in puin.
Arie maakte 45 actieve vluchten mee. Informatie uit mijn eigen logboek. Bootsma enkele meer en ikzelf 52. Heijblom en Bootsma liepen in Oostelijke richting op
het aan de Zuidkant van 't kanaal. Ze waren al een eind ten O. van het vliegveld. Ik
liep ongeveer 100m achter hen. Ik weet niet veel anders over dit ongeluk te vertellen

Source: Dick Waterman, 23/5/2005

Jac. Jespers, 'Tussen witte Wolk en Anneville 1939-1945', zp, 1985; interview met Chiel Heijblom, pag. 115:

'Voorjaar 1945 kwam Janus weer voor 14 dagen verlof naar huis. Hij had met de bemanning 50 bombardementsvluchten gemaakt en daarom kreeg ie één week verlof extra. Op een maandagmorgen vertrok ie weer naar luchtmachtbasis Melsbroek. Daar kregen ze bevel al hun persoonlijke spullen in te pakken en naar een vliegveld (B110) bij Osnabrück te vertrekken. De oorlog liep ten einde en Osnabrück was net in gebruik genomen nadat op de start- en landingsbanen alle mijnen waren opgeruimd.

Op 2 mei 1945 kwamen ze er aan. In de buurt van de landingsbaan moesten ze in hun tentje opslaan want de Duitsers hadden er alle barakken onklaar gemaakt.

Na het middageten zei zijn maat tegen hem: ' Zeg Janus, er staan daar in die barakken nog goeie bedden, zullen we er een paar gaan halen?' Normaal moesten ze in dat tentje op de grond slapen, dus daar was Janus 't gauw mee eens. Ze waren nog maar 'n 20 meter op weg naar die barakken of een van beiden trapt op een nog niet geruimde vliegtuigmijn. Een explosie volgde en beiden waren op slag dood'.

Er lijken belangrijke verschillen te zijn in de verslagleggingen van Waterman en Jespers. We moeten aannemen dat Dick Waterman, tijdens de begrafenis op 3 mei 1945, op het kerkhof naast de Laurentiuskerk, de bron was voor Chiel Heijblom, en met hem voor Jac. Jespers.

Waterman schreef, dat hij na de maaltijd naar buiten ging, en 'onderweg naar hen toe, zag ik ze wel, maar even later ook een grote ontploffing van waarschijnlijk een landmijn.' 'zag ik ze wel' komt niet overeen met de beschrijving van Chiel Heijblom, als hij bericht over een ontploffing op 20 meter afstand van de kantine. Omdat Jespers een schrijfstijl hanteert die suggereert dat de verteller, Chiel Heijblom, erbij was, kunnen we deze afwijking in de berichtgeving begrijpen als mythologisering.

Ook het expeditiemotief van goede bedden in de barakken, kunnen we als mythe doorstrepen. Jespers stelt één regel eerder dat de barakken onklaar waren gemaakt. De barakken waren bunkers van beton, en de Duitsers hadden haast. Onklaar maken van een bunker betekent explosieve demolitie, zeker in oorlogstijd. Het resultaat is plaatselijk op Achmer nog steeds te zien. In een opgeblazen bunker blijven de bedden niet gespaard.

Jespers bericht over een 'vliegtuigmijn'. De Duitsers hebben inderdaad vliegtuigmijnen gemaakt en gebruikt. Dat waren vliegtuigframes, voorzien van een zeer grote springlading, gedragen en als zweefbom gelanceerd door een ander vliegtuig. Deze uitzonderlijke en zeer zeldzame soort munitie heeft Jespers natuurlijk niet bedoeld. Wellicht zien we hier de bron voor de luchtmijn-mythe. Vliegtuigen vliegen in de lucht. Vliegtuigmijn wordt luchtmijn. Zo ontstaan fabels.

Ik geef een voorlopige analyse. Hardop denkend; de eindversie wordt wellicht heel anders.

1. T.a.v. het explosief:

Er zijn berichten over een landmijn (J.D. Waterman), een vliegtuigmijn (C. Heijblom in witte Wolk van Jac Jespers), een luchtmijn (J.W. de Bruin Kops), en een boobytrap (J.W.T. Bosch).

2. T.a.v. de lokatie:

Er zijn berichten over (een van de) munitiebunkers (De Bruin Kops), dus binnen, en buiten, 20 meter van de kantine (Jespers), langs het kanaal (Waterman).

3. T.a.v. de waarnemer:

Alleen Dick Waterman zegt het ongeval, vanaf enige afstand, te hebben zien gebeuren.

Analyse:

In de veronderstelling dat Waterman naar waarheid bericht, dus zonder verhullingen om Heijblom's familie te sparen.

1. T.a.v. het explosief:

Er is geen harde data over het soort explosief. Dat werd tijdens de explosie vernietigd. Gedetailleerd forensisch onderzoek werd in oorlogstijd niet gedaan.

De Duitsers hebben miljoenen mijnen, in enkele tientallen soorten, tegen personen of voertuigen gemaakt, en die soorten weer in verschillende varianten. De drukontsteker van een Duitse AP-mijn werkte bij een druk van <10 kg, een AT-mijn bij een druk van 150 tot 300 kg. De meeste mijnen hadden de mogelijkheid om een extra ontsteker in te bouwen, zoals een trekontsteker aan een struikeldraad. De mijnen waren dus systematisch voorbereid voor gebruik als boobytrap. In de voortgang van de oorlog ontstond een ontwikkeling naar mijnen zonder metaaldelen, om de ruiming te bemoeilijken. Bovendien was er een ontwikkeling naar het gebruik van goedkope materialen, zoals beton met ingegoten metaalschroot, glas, hout, keramiek en zelfs geperst papier. Onder druk van de oorlogsinspanning kunnen deze ontwikkelingen nadelen hebben opgeleverd voor de veiligheid van omgang met het spul. Zeker als mijnen met een houten of papieren omhulling na vochtige opslag instabiel waren geworden. De meeste mijnen werden met reeds in het explosief geplaatste ontstekers aan de troepen geleverd, en dat kwam de veiligheid al helemaal niet ten goede. Sommige mijnen waren onder de Duitsers berucht, vanwege hun overgevoelige ontstekers. Bij ongevallen met de Holzmine 42, een AT-mijn, waren er aan Duitse zijde 141 doden en 55 gewonden, in de periode medio oktober 1942 tot medio april 1943.

Source: F. Hahn, "Waffen und Geheimwaffen des Deutschen Heeres 1933-1945", Band 1, p. 123-132, Bonn, 1992

Dit betekent dat een ongeval door een mijn die uit de hand viel, of door een geboobytrapte mijn, niet kan worden uitgesloten.

a. Een luchtmijn behoort tot de soort munitie die in een depot bij een vliegbasis in oorlogstijd kan worden opgeslagen. Luchtmijnen hebben parachutes, en het materiaal daarvan was zeer in trek. Daarover zijn verschillende getuigenissen. Duitse luchtmijnen zijn echter veel zeldzamer wapens dan de AP- en AT-mijnen. De Duitsers hadden twee modellen, de LMA III van 500 kg, en de LMB III van 920 kg. Dat zijn dus zeer forse explosieven, die één man niet in beweging kan krijgen. Beide waren vooral bedoeld als zeemijnen, maar werden met aangepaste ontstekers ook tegen gronddoelen gebruikt. De parachutes moesten voorkomen dat de relatief dunwandige explosieven tegen het water of de grond te pletter zouden slaan. De parachutes waren gemaakt van zeegroene of khaki kunstzijde. Ze hadden een doorsnede van ongeveer 8 meter. Deze mijnen bevatten 60 tot 70% van hun gewicht aan springstof. De schokgolf die de explosie van 300 tot 600 kg brisante springstof zou geven, vinden we niet terug in de beschrijving van Dick Waterman: 'Onderweg naar hen toe, zag ik ze wel, maar even later ook een grote ontploffing.' De ontploffing van een luchtmijn zou hem, ook op honderden meters afstand, omver hebben geblazen. We kunnen een luchtmijn schrappen als veroorzaker van het ongeval.

b. Een landmijn is beter denkbaar als veroorzaker van het ongeval. Anti-tank landmijnen zijn relatief grote explosieven, met een brisante lading tot 10 kg.

c. Voor zowel een luchtmijn als een AT-landmijn geldt dat die op de grond en in de buurt van personen alleen tot ontploffing komen als:

1. de ontsteker geboobytrapt is, of

2. als personeel ermee bijzonder onoordeelkundig handelt, of

3. als de mijn mechanisch instabiel is of een onveilige ontsteker heeft.

De Duitse luchtmijn detoneerde, na scherpstelling, door een magnetische ontsteker in de zeemijnrol, of door een tijdbuis in de landmijnrol. De AT-landmijn detoneert, na scherpstelling, door een drukontsteker die de zeer forse druk van een pantservoertuig moet hebben. Tenzij deze explosieven zijn omgebouwd tot boobytrap. Bijvoorbeeld door een handgranaat als ontsteker, of door middel van een trekontsteking in plaats van, of geplaatst bij, de gebruikelijke ontsteker. Een detonatie door onoordeelkundig handelen van Bootsma en/of Heijblom acht ik om deze reden zeer onwaarschijnlijk. Als een van beide soorten explosieven is gebruikt, en als Bootsma en/of Heijblom niet zelf een instabiele mijn hebben laten vallen, dan acht ik een boobytrap de meest waarschijnlijke verklaring.

d. Er is een bericht dat nog méér personeel in de explosie werd gedood. Helaas heb ik nog geen aantallen en namen. Indien juist, dan duidt dat wellicht op een groot explosief, zoals een AT-landmijn, en niet op een enkele AP-mijn, waarop een van de mannen is gestapt. Echter, zelfs de kleinste Duitse AP-mijn was in staat om binnen een straal van 20 meter te doden. Dus ook twee mannen, die samen op stap waren.

2. T.a.v. de lokatie:

Een munitiebunker heeft relatief kleine ruimtes met dikke betonwanden en een dun dak. De bedoeling van dat ontwerp is om te voorkomen dat bij een explosie de hele bunker met inhoud de lucht in gaat. Bij een explosie vliegt het dak eraf, de bewust gemaakte zwakke plek. De rest dient te blijven staan. Zo zijn munitiebunkers nog steeds gebouwd, als het goed is.

Als Waterman het ongeval heeft gezien, dan kan dat niet in de kleine ruimte van een kamer in een munitiebunker zijn geweest. Daaruit zou hij niet zonder letsel, en waarschijnlijk ook niet levend, zijn gekomen.

Het explosie-in-de-munitiebunker-verhaal is verder niet erg waarschijnlijk om de volgende redenen:

a. Enkele dagen later was er weer een fatale explosie, en weer langs het kanaal. Door onhandigheid van Duitsers die munitie moesten afvoeren, of wellicht door een boobytrap. Bewijsmateriaal en ooggetuigen werden natuurlijk in de explosie vernietigd.

b. De wegtrekkende Duitsers hebben Achmer grondig verwoest. Het ligt niet voor de hand dat ze de munitiebunkers intakt hebben gelaten, en dat ze hun oorlogsvoorraad daarin hebben laten liggen. Tenzij bedoeld als boobytrap. Maar dan had Waterman het ongeval niet kunnen zien.

c. Het is wel denkbaar dat er nog Duitse munitie op Achmer was. De Duitsers die van de Geallieerden het spul moesten afvoeren, waren ergens mee bezig.

Ik tel dit op als een versterking van de mening dat Bootsma en Heijblom buiten zijn gesneuveld, en niet in een van de beide munitiebunkers.

3. T.a.v. de waarnemer:

We hebben er maar één. Hij bericht onopgesmukt. Pim de Bruin Kops berichtte uit de 2e hand. Waterman geeft een verklaring waarom hij wel in de buurt, maar niet vlakbij Bootsma en Heijblom was. Hij ging een hapje eten. De barakken waren dicht bij het kanaal, zie de kaart. Dit is zo'n gewoon menselijke verklaring, dat ik dit geheel betrouwbaar acht.

Finale analyse hieronder bijslijpen. Het was 'gewoon' een AP-landmijn.

Kan Waterman het verhaal hebben verhuld, om de familie van Heijblom te sparen? Ik ga ervan uit dat hij dat zou hebben gedaan, als hij daartoe reden had gezien. Maar in de analyse hierboven kan ik dat, om munitietechnische redenen, niet zien. Als Bootsma en Heijblom met mijnen aan het rommelen zijn geweest, dan zou dat voor Waterman een reden kunnen zijn om het verhaal te verhullen. Ik zie niet hoe de beide mannen door eigen onhandigheid om het leven kunnen zijn gekomen, zelfs als ze bezig zouden zijn geweest met het bemachtigen van parachutemateriaal van een luchtmijn. Waterman kan dat ook niet hebben gezien, want hij was voldoende ver uit de buurt om onbeschadigd te blijven. Hij bericht niet eens over de drukgolf. Ik meen dat hij dat zeker zou hebben gedaan, als hij voldoende dichtbij was geweest om te zien wat Bootsma en Heijblom aan het doen waren. Hij zou omver zijn geblazen, of hij zou scherven langs zich heen hebben horen fluiten. Het zou een blijvende indruk hebben gemaakt. Waterman moet op flinke afstand zijn geweest. Hij 'zag ze wel', dus hij kon hen, netaan, herkennen.

Ik zie ook geen domme pech. Ik zie wel Duitse opzet. Grote explosieven zoals lucht- en AT-landmijnen gaan niet zomaar af, als er personen in de buurt komen. Bij gebrek aan méér en betere informatie hou ik het erop dat Bootsma en Heijblom door de Duitsers op een achterbakse manier werden vermoord.

Kurzfristig kann ich Ihnen zu Ihren Fragen noch nicht viel antworten, da von deutscher Seite über die letzten Tage während des 2. Weltkrieges aus Achmer nur wenige Informationen vorliegen. Der Flugplatz Achmer wurde am 7. April 1945 von englischen und kanadischen Einheiten eingenommen, und ab dem 8. April 1945 waren erste alliierte Aufklärer dort stationiert. Die Explosionen danach können nicht vom deutschen Militär ausgelöst worden sein. Es gab damals jedoch sehr viel Munition und Minen am Flugplatz, und es sind auch eine ganze Reihe von Unglücken und Explosionen erfolgt.

So soll Anfang Mai 1945 eine schwere Explosion in einem Bombenlager stattgefunden haben. Wer und wie viele Soldaten dabei den Tod fanden, weiß ich jedoch noch nicht.

Bis Ende der 50er Jahre lag auf dem Flugplatz immer noch viel Munition herum, und diese wurde erst danach systematisch beseitigt.

Etwa 30 Jahre lang wurden die Randbereiche des Platzes nach Munition abgesucht, im gesamten mittleren Bereich wurde bisher noch nicht systematisch gesucht.

Das ganze ehemalige Fliegerhorstgelände ist heute noch britisches Übungsgelände, wobei unser heutiger Sportflugplatz ausgeklammert ist. Dieser Bereich wurde 1996 abgesucht, und man hat dort auch noch Munition und Bomben gefunden.

Source: Manfred Hermerling, 23/5/200

The Achmer airbase area still holds sections with unexploded ordinance. Achmer 050521 sign 3

050521 sign 3

Map 125. Achmer Wartime map

Remnants of Wartime Achmer. The Allied Wartimemap of Achmer is reproduced in Ries, Karl & Dierich, Wolfgang; 'Fliegerhorste und Einsatzhäfen der Luftwaffe', Stuttgart, 1996 (1992). Several remains of German bunker barracks can be found, all blasted by retreating German troops. After the War, the British have used the vast terrain, and used part of it as a firing range. British/German Warning signs are still present, declaring these pictures highly illegal. A 'Splittergraben' is an open dugout for sheltering vehicles against air attack. Achmer airfield is still active, as a glider field. The former concrete runway have been removed.

Map 126. Approximated site of the Bootsma & Heijblom accident


Based on statements from Dick Waterman

Bootsma and Heijblom were walking along the South border of the canal, towards the East. Waterman saw half his crew blown up, some 100 meters in front of him. The bridges in the Wartime map were destroyed when 320 Sqn came to Achmer. At first, only a single runway was made operational with steel matting over the holes blown in the concrete by the retreating Germans, and/or by Allied bombing.

The Ems-Weser Kanal, now Mittellandkanal, looking east, overseeing the location where the accident took place. The channel is bordered North and South by footpaths, that continue to invite one to take a stroll. Achmer 050521 Canal 1


List of Aviator Losses  •  
Table of Contents  •  
Database  •  
Next Chapter

You can lay a wreath on this page to show your respect in an everlasting way.
Add us to your address book. Click here
(To translate into English, first select another language from the drop-down menu, THEN you can select English at the top of the drop-down menu.)

At the going down of the sun, and in the morning we will remember them. - Laurence Binyon

All site material (except as noted elsewhere) is owned or managed by Aircrew Remembered and should not be used without prior permission.
© 2012 - 2021 Aircrew Remembered
Last Modified: 14 April 2021, 13:37

If you would like to comment on this page, please do so via our Helpdesk. Use the Submit a Ticket option to send your comments. After review, our Editors will publish your comment below with your first name, but not your email address.

A word from the Editor: your contribution is important. We welcome your comments and information. Thanks in advance.